Waarom Groot-Brittannië?
De klassieke vraag waarom de industrialisatie als eerste in Groot-Brittannië op gang kwam, is beantwoord met een combinatie van factoren. Geografisch: ruime voorraden steenkool nabij bevolkings- en scheepvaartcentra, en kolen die makkelijk per kanaal en kustvaart konden worden vervoerd. Politiek: een relatief stabiele staat sinds 1689, zonder binnenlandse douanebarrières, met een financieel systeem dat industriële investeringen aankon. Sociaal: een omvangrijke loonarbeidersklasse die door eerdere enclosures van gemeenschappelijke gronden was vrijgekomen. Cultureel: een netwerk van praktische ingenieurs (James Watt, Matthew Boulton, Josiah Wedgwood) en een wetenschappelijke infrastructuur die uitwisselde via verenigingen als de Royal Society en de Lunar Society. Economisch-imperialistisch: een koloniaal rijk dat grondstoffen — Amerikaanse katoen, Indiase indigo, Caribische suiker — en afzetmarkten leverde.
Eerste fase (ca. 1760–1830)
De eerste transformatie betrof textiel, stoom en ijzer. Katoenspinnerij mechaniseerde via de spinning jenny (Hargreaves), water frame (Arkwright), spinning mule (Crompton) en power loom (Cartwright). James Watts verbeterde stoommachine (patent 1769, ingang vanaf jaren 1780) verhoogde het rendement ten opzichte van de eerdere Newcomen-machines aanzienlijk. Henry Cort's puddling-methode en hoogovens met cokes (Abraham Darby) gaven smeedijzer in ongekende hoeveelheden. Rond 1830 had Groot-Brittannië 's werelds grootste textielproductie, ijzerproductie en scheepsvloot.
Tweede fase (ca. 1830–1870)
De spoorwegrevolutie domineerde. De Stockton and Darlington Railway (1825), en vooral de Liverpool and Manchester Railway (1830) lieten zien dat spoor zowel passagiers als goederen over lange afstanden kon verplaatsen. In vier decennia werd het Britse net uitgebouwd; Frankrijk, België, Duitsland, Nederland (eerste traject Haarlem–Amsterdam, 1839) en de Verenigde Staten volgden. Spoor vroeg staal, steenkool, telegraaf, standaardtijd, grote aannemingsbedrijven en banken. Samen met stoomscheepvaart — SS Great Britain (1843) — bond het een wereldmarkt bijeen.
Derde fase (ca. 1870–1914)
De tweede Industriële Revolutie bracht staal als massaproduct (Bessemer 1856, Siemens-Martin), elektriciteit (dynamo, lamp, tram, telefoon), chemie (kleurstoffen, kunstmest, explosieven), verbrandingsmotoren, massaproductie op assemblagelijnen (Ford in de VS, vanaf 1913) en wetenschappelijk georganiseerd bedrijfsleven. Duitsland en de Verenigde Staten namen in deze fase de technologische leiding over van Groot-Brittannië, vooral in chemie en elektrotechniek.
Demografie en steden
Tussen 1800 en 1900 verdubbelde de Europese bevolking. Steden groeiden explosief: Manchester van 75.000 tot 700.000, Londen van 1 miljoen tot 6 miljoen, Berlijn van 170.000 tot 2 miljoen. Nieuwe industriesteden — Essen, Roubaix, Lille, Lodz, Łódź, Tilburg, Enschede, Pittsburgh — ontstonden vrijwel uit het niets. Arbeidsomstandigheden in fabrieken en mijnen waren in het begin zwaar: lange werkdagen, kinderarbeid, ongevallen, ongezonde woonomstandigheden, cholera-epidemieën (1832, 1849, 1866). Loon- en levensomstandigheden verbeterden pas geleidelijk in de tweede helft van de negentiende eeuw, mede door vakbeweging, arbeidswetten en sociaal-democratische partijen.
Industrialisatie van Nederland
Nederland kwam relatief laat in beweging. Pas rond 1870–1890 werd een echte industriële sector opgebouwd — textiel in Twente en Tilburg, voedingsmiddelenindustrie, scheepsbouw, en vanaf 1895 een snel groeiende Limburgse mijnbouw. De stroomlevering door provinciale en gemeentelijke bedrijven en de opkomst van Philips in Eindhoven (1891) markeerden een specifiek Nederlandse variant waarin kleinere bedrijven, coöperaties en sterke overheidsinfrastructuur (Deltawerken, Zuiderzeewerken) dragers werden van de moderne economie.
Gevolgen
De Industriële Revolutie veranderde vrijwel alle verhoudingen. Economisch: een nieuwe scheiding tussen fabriekseigenaren, management en loonarbeiders; gestandaardiseerde werktijden, geldlonen, tijdmeting. Sociaal: ontstaan van klassiek arbeiderschap, nieuwe middenklassen en specifieke vrouwelijke kantoorberoepen (typiste, telefoniste) eind negentiende eeuw. Politiek: opkomst van liberalisme, socialisme, vakbonden, algemeen kiesrecht; ook de moderne natiestaat werd mee vormgegeven door behoefte aan uniform onderwijs, gestandaardiseerde tijd en integrerende infrastructuur. Militair: de industriële wapenproductie maakte oorlogen als de Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) en vooral de Eerste Wereldoorlog mogelijk.
Ecologisch gezien is de Industriële Revolutie het begin van wat geologen inmiddels het Antropoceen noemen. Steenkool verspreidde CO₂ in de atmosfeer, grootschalige mijnbouw, chemie en landbouw herschikten landschappen, en een steeds groter deel van de menselijke voedsel- en energievoorziening werd afhankelijk van fossiele brandstoffen.
Historiografie
De interpretatie van de Industriële Revolutie wisselt met de eeuw. Arnold Toynbee (1884) introduceerde de term. Latere marxistische historici (E.P. Thompson, E.J. Hobsbawm) legden het accent op klassenstrijd en leefomstandigheden. Economisch-historische lijnen (Robert Allen, Joel Mokyr, Deirdre McCloskey) benadrukken verschillende drijvers — hoge lonen + goedkope energie bij Allen, culturele waardering voor uitvinden bij Mokyr en McCloskey. Grotere mondiale blikken (Kenneth Pomeranz, The Great Divergence) plaatsen de Europese doorbraak in een Euraziatische vergelijking.
Verwant
Voor het bredere tijdvak zie Moderne tijd; voor de gelijktijdige politieke omslagen Franse Revolutie; voor de eeuw waarin deze ontwikkeling in één oorlog uitmondde Eerste Wereldoorlog.