Tijdsbestek en afbakening
De vroegmoderne tijd loopt grofweg van 1500 tot 1800. Als openingsdatum kiest men vaak de val van Constantinopel (1453), de ontdekkingsreis van Columbus (1492) of het plakken van de stellingen van Luther (1517). Als slotdatum gelden de Franse Revolutie (1789) of het begin van de Industriële Revolutie. Het is de periode waarin de westerse wereld veel kenmerken verwierf die wij modern noemen — nationale staten, wereldmarkten, mechanistische wetenschap, persvrijheid in opkomst — zonder dat ze al volgroeid waren.
Buiten Europa betekent dezelfde periode onder meer: de hoogbloei van de Ming en vroege Qing in China, het Mogol-rijk in India, het Ottomaanse rijk op zijn hoogtepunt, de Safawiden in Perzië, het Tokugawa-shogunaat in Japan en de opkomst van het Songhai- en Asante-rijk in West-Afrika. De Atlantische wereld werd een eigen zone, gevormd door transport van mensen, planten, metalen en ziekten tussen Europa, Afrika en de Amerika's.
Kenmerken
Drie trends kenmerken Europa in deze periode. Ten eerste de wereldwijde reikwijdte: Portugese, Spaanse, later Nederlandse, Engelse en Franse schippers bouwden handelsnetwerken die voor het eerst alle bewoonde continenten met elkaar verbonden. Met die handel kwam het kolonialisme en, vanaf de zestiende eeuw, de trans-Atlantische slavenhandel — een systeem dat miljoenen mensen uit Afrika naar plantages in de Amerika's voerde en tot ver in de negentiende eeuw zou voortduren.
Ten tweede de religieuze splitsing. De Reformatie (vanaf 1517) brak de eenheid van de westerse christenheid. Lutherse, gereformeerde, anglicaanse en later doperse en remonstrantse kerken ontstonden naast en tegen de rooms-katholieke. Godsdienstoorlogen — van de Hugenotenoorlogen tot de Dertigjarige Oorlog (1618–1648) — tekenden het Europese landschap. Vanaf de Vrede van Westfalen groeide tegelijkertijd het idee van staatssoevereiniteit.
Ten derde de nieuwe omgang met kennis. De wetenschappelijke revolutie — van Copernicus (1543) via Galileï en Kepler tot Newton (1687) — herformuleerde natuur, kosmos en lichaam in wiskundige en experimentele termen. Deze benadering werd in de achttiende eeuw ingebed in bredere Verlichtingsidealen over rede, tolerantie en publieke redelijkheid.
Bewegingen en omslagen
Renaissance
De renaissance begon in Noord-Italiaanse stadstaten — Florence, Venetië, Rome — als een brede culturele heroriëntatie op de klassieke oudheid. Humanisten als Petrarca, Erasmus en Thomas More onderzochten Latijnse en Griekse teksten met filologische precisie. In de kunst leverden Leonardo, Michelangelo en Rafaël werk waaraan latere generaties zich bleven spiegelen. In de Lage Landen bracht de Noordelijke Renaissance eigen hoogtepunten voort, van Van Eyck en Bruegel tot Erasmus en de jonge typografen.
Reformatie en Contrareformatie
Maarten Luther publiceerde in 1517 zijn vijfennegentig stellingen tegen de aflaathandel en werd daarmee ongewild de startmotor van een kerkelijke breuk. Zwingli in Zürich en Calvijn in Genève schiepen stromingen die in Schotland, Nederland en delen van Duitsland voet aan de grond kregen. Het Concilie van Trente (1545–1563) gaf de katholieke kerk een eigen hervormingsprogramma, met nieuwe ordes als de jezuïeten. De tegenstelling werd een eeuwenlange krachtmeting, ook geopolitiek.
Wereldwijde handel en kolonialisme
De Portugese ontdekkingsreizen om Afrika (Bartolomeu Dias, 1488; Vasco da Gama, 1498) en de Spaanse overtocht van Columbus (1492) openden nieuwe handelsroutes. In de zestiende eeuw werd Latijns-Amerika een Spaans en Portugees koloniaal gebied; in de zeventiende eeuw vestigden de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC, 1602) en de West-Indische Compagnie (WIC, 1621) Nederlandse posten van Indonesië tot Brazilië. Engeland en Frankrijk volgden. De Colombian Exchange bracht aardappel, maïs, tomaat en chilipeper naar Europa; omgekeerd reisden tarwe, suikerriet, paarden en ziekten als pokken mee.
Absolutisme en staatsvorming
Vorsten als Lodewijk XIV (r. 1643–1715), Filips II van Spanje en Peter de Grote van Rusland versterkten hun centrale apparaat: belasting, leger, rechtspraak en hofkunst. Tegelijkertijd ontstonden uitzonderingen die belangrijk zouden blijken: de Republiek der Verenigde Nederlanden, Engeland na de Glorious Revolution van 1688, en — in mindere mate — het Heilige Roomse Rijk, waar het prinsenstelsel bleef voortduren.
Wetenschap en Verlichting
Copernicus (1543) herplaatste de zon in het centrum van het zonnestelsel; Galileï bevestigde het met de telescoop en moest het herroepen voor de Romeinse inquisitie; Kepler vond elliptische planeetbanen; Newton verenigde hemel- en aardmechanica in zijn Principia (1687). In de achttiende eeuw bouwden Voltaire, Montesquieu, Rousseau, Kant, Diderot en d'Alembert (Encyclopédie, vanaf 1751) daarop voort met een programma van kritisch denken, tolerantie en grondwet. De Amerikaanse (1776) en de Franse Revolutie (1789) zetten die ideeën om in politieke daden.
Belangrijke gebeurtenissen
- 1492Columbus bereikt de Bahama's; einde van de Reconquista in Granada.
- 1517Luther publiceert zijn 95 stellingen.
- 1543Copernicus, De revolutionibus.
- 1568–1648Tachtigjarige Oorlog; einde met de Vrede van Münster.
- 1588Mislukking van de Spaanse Armada.
- 1602Oprichting van de VOC.
- 1618–1648Dertigjarige Oorlog in Duitsland.
- 1687Newton, Philosophiæ Naturalis Principia Mathematica.
- 1688Glorious Revolution in Engeland.
- 1751Eerste deel van de Franse Encyclopédie.
- 1776Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring.
- 1789Bestorming van de Bastille; begin van de Franse Revolutie.
Sleutelfiguren
- Erasmus (ca. 1466–1536), Rotterdamse humanist en Bijbelfiloloog.
- Maarten Luther (1483–1546), Duits hervormer.
- Johannes Calvijn (1509–1564), theoloog te Genève, invloedrijk in Nederland en Schotland.
- Elizabeth I van Engeland (1533–1603).
- Willem van Oranje (1533–1584), leider van de Opstand in de Nederlanden.
- Galileo Galilei (1564–1642).
- Isaac Newton (1643–1727).
- Lodewijk XIV (1638–1715).
- Voltaire (1694–1778) en Rousseau (1712–1778), gezichten van de Verlichting.
- Catharina de Grote (1729–1796), tsarina met Verlichtingsagenda.
Cultuur en denken
De schilderkunst kende achtereenvolgens hoge renaissance, maniërisme, barok en rococo. In de Republiek werd de zeventiende eeuw een schildersparadijs, met Rembrandt, Hals, Vermeer, Ruisdael en Steen; in Italië Caravaggio en Bernini; in Spanje Velázquez; in Vlaanderen Rubens. In de muziek voerde de weg van Monteverdi en Purcell via Bach en Händel naar Haydn en Mozart.
Literair ontstonden romanvormen die nu klassiek zijn: Cervantes' Don Quichot (1605/1615), Molières komedies, Miltons Paradise Lost, Vondels drama's, Defoe en Swift. De drukpers maakte pamfletten, kranten en wetenschappelijke tijdschriften mogelijk — een infrastructuur waarvan de Verlichting niet los te denken is. Voor het eerst ontstond ook iets wat wij publieke opinie zouden noemen.
Verder lezen
De revolutionaire omwenteling aan het einde van de achttiende eeuw loopt door in het volgende tijdperk: zie de moderne tijd. Voor de Republiek, de Gouden Eeuw en de Bataafse tijd zie Nederlandse geschiedenis; voor de klassieke oudheid waar de renaissance op teruggreep, zie Oudheid.
Aanbevolen Nederlandstalige overzichten: De vroegmoderne tijd 1500–1800 in de reeks Kennismaking met de geschiedwetenschap (Hoppenbrouwers e.a.), De Gouden Eeuw van Willem Frijhoff en Marijke Spies, en De Verlichting van Wijnand Mijnhardt. Jonathan Israel schreef meerdere delen over de radicale Verlichting die ook in vertaling beschikbaar zijn.