Oorzaken
De Revolutie had een tiental samenhangende oorzaken. Financieel: de Franse staat was na deelname aan de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog vrijwel failliet, en het belastingstelsel bleef de geprivilegieerde stand (adel, geestelijkheid) grotendeels sparen. Politiek: Lodewijk XVI en zijn ministers slaagden er niet in fiscale hervormingen door de parlements (gerechtshoven) en provinciale staten te krijgen. Sociaal: de derde stand — burgerij, boeren, stedelijke armen — droeg een toenemend deel van de lasten terwijl voedselprijzen door slechte oogsten (1788) stegen. Intellectueel: Verlichtingsdenkers hadden decennia lang de vanzelfsprekendheid van privileges en goddelijk koningschap ter discussie gesteld. De oproeping van de Staten-Generaal in 1789 — de eerste sinds 1614 — zou een poging zijn om via consultatie tot belastinghervorming te komen, maar ontsnapte al snel aan koninklijke controle.
Fasen
1789–1791: constitutionele monarchie
Op 17 juni 1789 verklaarde de derde stand zich tot Assemblée nationale; op 20 juni legde deze in een kaatsbaan de "Eed van de Kaatsbaan" af — ze zou niet uiteengaan tot Frankrijk een grondwet had. Op 14 juli bestormde een Parijse menigte de Bastille, meer om wapens dan om gevangenen; de datum werd later nationale feestdag. In augustus schafte de Nacht van 4 augustus feodale rechten af en werd de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger aangenomen. De Kerk werd genationaliseerd (Constitution civile du clergé, 1790). In september 1791 was er een grondwet: een constitutionele monarchie met censuskiesrecht voor mannen.
1791–1792: oorlog en radicalisering
De mislukte vlucht van de koning (Varennes, juni 1791), een Europese coalitie tegen de Revolutie en economische druk radicaliseerden de politiek. Op 10 augustus 1792 bestormde een menigte de Tuilerieën; de koning werd geschorst. De Convention schafte op 22 september 1792 de monarchie af en riep de Eerste Republiek uit. Lodewijk XVI werd op 21 januari 1793 onthoofd, Marie-Antoinette in oktober.
1793–1794: Terreur
Met Oostenrijk, Pruisen, Groot-Brittannië en Spanje in oorlog, met burgeroorlog in de Vendée en met hyperinflatie organiseerde het Comité de salut public onder leiding van Robespierre een systematisch noodregime. De loi des suspects, de revolutionaire tribunalen, de guillotine en de levée en masse (massaconscriptie) stonden in dienst van de oorlog én van ideologische zuivering. Tussen september 1793 en juli 1794 werden naar schatting 17.000 mensen officieel geëxecuteerd, tienduizenden stierven in gevangenissen of in de onderdrukking van de Vendée. De thermidoriaanse reactie (27 juli 1794) bracht Robespierres eigen val en executie.
1795–1799: Directoire
Een nieuwe grondwet creëerde het Directoire — een uitvoerend comité van vijf directeuren en een tweekamerstelsel. Het regime was instabiel, corrupt en afhankelijk van het leger om telkens crises (royalistische zowel als jacobijnse) af te wenden. De veldtochten in Italië en Egypte maakten generaal Napoleon Bonaparte tot nationaal held. Op 9 november 1799 (18 brumaire) pleegde hij met Sieyès een staatsgreep en werd eerste consul.
Sociale en economische hervormingen
Achter de politieke turbulentie veranderde de samenleving structureel. Feodale rechten werden afgeschaft. Kerkelijk bezit werd genationaliseerd en geveild (de biens nationaux). Provinciale grenzen en gemengde wet- en belastingstelsels werden vervangen door een uniform geheel van 83 departementen. Het metriek stelsel werd ingevoerd (1795). De gelijkheid voor de wet werd principieel erkend, al bleven vrouwen — ondanks vroege petities van onder meer Olympe de Gouges — zonder politieke rechten. In 1794 schaften de jacobijnen de slavernij in de Franse koloniën af; Napoleon herstelde haar in 1802 voor bepaalde gebieden.
Internationaal effect
De Franse legers verspreidden Revolutionaire ideeën over heel Europa, vaak met geweld en vaak welkom ontvangen door lokale patriotten. In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen; vergelijkbare zusterrepublieken ontstonden in Italië en Zwitserland. Voor het denken van de negentiende eeuw — liberalisme, nationalisme, socialisme — werden begrippen als burger, grondwet, natie, volkssoevereiniteit, politieke links en rechts (voor het eerst in de Nationale Vergadering) gemeengoed.
Historiografie
Het oordeel over de Revolutie verdeelt historici al twee eeuwen. De klassieke interpretatie (Michelet, Jaurès, Soboul) zag haar als burgerlijke, noodzakelijke omwenteling richting moderniteit. De revisionistische lijn (Alfred Cobban, François Furet) ontkende dat zonder meer, legde nadruk op continuïteit met het ancien régime en bekritiseerde het noodzakelijkheidsdenken. Sinds de jaren negentig combineren nieuwe studies (Lynn Hunt, Timothy Tackett, William Doyle) cultuurhistorische en sociale benaderingen. Wat overeind blijft: zonder de Franse Revolutie is de politieke taal van de negentiende en twintigste eeuw moeilijk te begrijpen.
Verwant
Voor wat daarna volgde zie Napoleon Bonaparte; voor de bredere periode Moderne tijd; voor de directe invloed op de Lage Landen Nederlandse geschiedenis.