Wat was de Verlichting?
De Verlichting is de naam voor een brede stroming in het Europese denken van de late zeventiende en de achttiende eeuw. Haar aanhangers waren ervan overtuigd dat mensen met hun eigen verstand de wereld konden begrijpen en verbeteren. Godsdienst, politiek, recht, economie en opvoeding moesten niet op traditie of autoriteit berusten, maar op redelijke argumenten en waarneming. De Duitse filosoof Immanuel Kant vatte het in 1784 samen in zijn essay Was ist Aufklärung?: Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn zelf veroorzaakte onmondigheid. Zijn motto was sapere aude — durf te denken.
Wortels: wetenschappelijke revolutie
De Verlichting bouwde voort op de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw. Isaac Newton liet in zijn Principia (1687) zien dat de beweging van planeten en vallende voorwerpen met dezelfde wiskundige wetten te verklaren was. Als de natuur zich liet begrijpen door rede en experiment, redeneerden verlichte denkers, dan moest dat ook gelden voor de samenleving. Ook de filosofie van René Descartes, die lange tijd in de Republiek woonde, en het empirisme van John Locke waren belangrijke voorlopers.
Belangrijke denkers en ideeën
- John Locke (1632–1704) betoogde in zijn Two Treatises of Government (1689) dat mensen natuurlijke rechten hebben op leven, vrijheid en bezit, en dat een regering haar gezag ontleent aan de instemming van de geregeerden.
- Montesquieu (1689–1755) beschreef in De l’esprit des lois (1748) de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht — de trias politica — als waarborg tegen willekeur.
- Voltaire (1694–1778) bestreed kerkelijke onverdraagzaamheid en censuur en zette zich in voor slachtoffers van religieuze vervolging.
- Jean-Jacques Rousseau (1712–1778) stelde in Du contrat social (1762) dat soevereiniteit bij het volk ligt en de wet de uitdrukking moet zijn van de ‘algemene wil’.
- Denis Diderot en Jean le Rond d’Alembert gaven de Encyclopédie uit (1751–1772), een reusachtig naslagwerk dat alle kennis van hun tijd wilde ordenen en daarbij kritiek op kerk en staat niet schuwde.
- Adam Smith (1723–1790) legde in The Wealth of Nations (1776) de basis voor de economische wetenschap en het liberale vrijhandelsdenken.
De Republiek als vrijhaven
De Nederlandse Republiek speelde een bijzondere rol. Door de relatief grote vrijheid van drukpers konden in Amsterdam, Leiden en Rotterdam boeken verschijnen die elders verboden waren. De filosoof Baruch Spinoza (1632–1677) pleitte in zijn Tractatus theologico-politicus (1670) voor vrijheid van denken en meningsuiting; de historicus Jonathan Israel ziet hem als grondlegger van een ‘radicale Verlichting’. De Franse protestant Pierre Bayle schreef in Rotterdam over religieuze tolerantie. Later in de achttiende eeuw vertaalden schrijfsters als Betje Wolff en Aagje Deken verlichte idealen naar de Nederlandse burgerlijke cultuur, en de patriotten van de jaren 1780 beriepen zich op volkssoevereiniteit.
Verlicht absolutisme
Niet alleen critici van de vorst lieten zich door de Verlichting inspireren. Een aantal absolute vorsten probeerde hun staat volgens verlichte principes te hervormen: met godsdienstige tolerantie, rechtshervorming, onderwijs en een efficiënt bestuur, maar zonder hun eigen macht af te staan. Bekende voorbeelden zijn Frederik II van Pruisen, keizer Jozef II van Oostenrijk en tsarina Catharina II van Rusland. Frederik noemde zichzelf de ‘eerste dienaar van de staat’.
Gevolgen: revoluties en grondrechten
De ideeën van de Verlichting kregen politieke kracht aan het einde van de achttiende eeuw. De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) spreekt van onvervreemdbare rechten op leven, vrijheid en het nastreven van geluk. De Franse Revolutie nam in 1789 de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger aan. In de Bataafse Republiek volgde in 1798 de eerste Nederlandse grondwet. Begrippen als grondrechten, scheiding der machten, gelijkheid voor de wet en godsdienstvrijheid, die nu in vrijwel alle democratische grondwetten staan, zijn grotendeels in deze periode geformuleerd.
Grenzen en kritiek
De universele idealen werden in de praktijk lang niet voor iedereen toegepast. De meeste verlichte denkers sloten vrouwen uit van politieke rechten, en slavernij en kolonialisme gingen in de achttiende eeuw gewoon door — al waren er ook verlichte critici van de slavenhandel. Sommige denkers ontwikkelden juist in deze tijd rassentheorieën. In de twintigste eeuw betoogden Max Horkheimer en Theodor Adorno in Dialektik der Aufklärung (1947) dat de rationaliteit van de Verlichting ook kon omslaan in overheersing. Anderen zien de Verlichting juist als de bron van mensenrechten en wetenschap. Dat debat over de erfenis van de Verlichting loopt nog altijd.