Herkomst en vroege carrière
Gaius Julius Caesar werd geboren in een oud maar niet bijzonder invloedrijk patricisch geslacht dat zijn herkomst terugvoerde op de Trojaanse held Aeneas en daarmee op Venus. Zijn tante Julia was getrouwd met Gaius Marius, een van de machtigste populares van de late Republiek. Toen Sulla in 82 v.Chr. dictator werd, weigerde de jonge Caesar zijn Mariaanse huwelijk te verbreken en dook onder. Na Sulla's dood (78) keerde hij terug en werkte zich via de gebruikelijke cursus honorum omhoog: militair tribuun, quaestor in Spanje, aediel, pontifex maximus (63), praetor (62) en uiteindelijk consul in 59 v.Chr.
In datzelfde jaar sloot hij met Pompeius en Crassus het zogenoemde Eerste Triumviraat — geen officiële alliantie, maar een informele driemanschap dat de politiek feitelijk domineerde. Na zijn consulaat liet Caesar zich voor tien jaar het bestuur van Gallia Cisalpina, Illyricum en later ook Gallia Transalpina toebedelen: het springplankproconsulaat dat hem een leger, een inkomen en een reputatie zou bezorgen.
De Gallische Oorlog (58–50 v.Chr.)
Wat begon als een reactie op migraties van de Helvetiërs werd een systematische verovering van het huidige Frankrijk, België, delen van Nederland zuidelijk van de Rijn en Zwitserland. Caesar versloeg achtereenvolgens Helvetiërs, Ariovistus' Suebi, de Belgische stammen, de Veneti en anderen. Hij stak tweemaal de Rijn over — als demonstratie — en tweemaal het Kanaal naar Britannia, zonder daar een blijvende aanwezigheid te vestigen. Het keerpunt was de opstand van Vercingetorix en zijn nederlaag bij Alesia in 52 v.Chr. Schattingen van het dodental en aantal gevangen verkochte Galliërs lopen bij antieke bronnen in de miljoenen; moderne historici gaan uit van omvangrijke maar niet nauwkeurig te reconstrueren slachtingen en deportaties.
Tijdens deze jaren schreef Caesar zelf zijn Commentarii de Bello Gallico, een van de helderste Latijnse teksten die uit de oudheid overgeleverd zijn en tegelijk een zorgvuldig geredigeerd politiek zelfverslag.
Burgeroorlog en dictatuur
Na de dood van Crassus (53) en van Caesars dochter Julia, die met Pompeius was getrouwd (54), brokkelde het triumviraat af. In januari 49 v.Chr. eiste de senaat dat Caesar zijn leger ontbond en als privépersoon naar Rome kwam. Hij weigerde en stak met één legioen de Rubicon over — de grens tussen zijn provincie en Italië — met volgens Suetonius de woorden alea iacta est, de teerling is geworpen. Pompeius en de senaatsmeerderheid weken uit naar Griekenland. Na veldtochten in Spanje en de beslissende slag bij Farsalus (48 v.Chr.) zegevierde Caesar; Pompeius werd bij zijn vlucht naar Egypte vermoord.
In Alexandrië raakte Caesar betrokken bij de Egyptische dynastieke twist en hielp hij Cleopatra VII op de troon. Na verdere veldtochten in Klein-Azië (“veni, vidi, vici”, 47), Noord-Afrika (slag bij Thapsus, 46) en Spanje (Munda, 45) keerde hij als onbetwiste machthebber naar Rome terug. In februari 44 v.Chr. liet hij zich tot dictator perpetuo, dictator voor het leven, benoemen — een functie die buiten de republikeinse traditie viel.
Hervormingen
In enkele jaren voerde Caesar een indrukwekkend pakket maatregelen door. De lex Iulia-reeks, kolonisatie van veteranen en stadsarmen naar Corinthe, Carthago en elders, schuldverlichting, uitbreiding van het burgerrecht naar Cisalpijns-Gallische gemeenten, hervorming van de kalender — de Juliaanse kalender van 46 v.Chr. met 365,25 dagen bleef in wezen gelden tot de Gregoriaanse hervorming van 1582. Ook werd de Romeinse senaat uitgebreid tot ongeveer 900 leden, deels om supporters uit de provincies binnen te halen.
De Iden van maart
Op 15 maart 44 v.Chr. werd Caesar in de porticus van het theater van Pompeius door een groep senatoren neergestoken. De leiders van de samenzwering, onder wie Marcus Junius Brutus en Gaius Cassius Longinus, zagen zichzelf als verdedigers van de Republiek tegen een koning in de dop. De uitkomst was het tegenovergestelde: een reeks burgeroorlogen die in 31 v.Chr. uitmondden in de overwinning van Octavianus — Caesars door hem geadopteerde achterneef — en in 27 v.Chr. in diens principaat, de eerste vorm van het Romeinse keizerrijk. Caesar werd postuum tot god verklaard (Divus Iulius).
Nalatenschap
Caesar gaf zijn naam aan de Germaanse Kaiser en het Russische tsaar. Zijn teksten werden schoolleesstof tot ver in de twintigste eeuw. Politiek-filosofisch is hij het schoolvoorbeeld van het probleem van persoonlijke macht binnen een republikeinse orde; tot en met Machiavelli, Montesquieu en de auteurs van de Amerikaanse Federalist Papers bleef de vraag hoe een vrije staat een Caesar kan voorkomen een politieke kernvraag.
Historiografisch zijn de bronnen deels door Caesar zelf gekleurd en deels door latere keizers — zoals Augustus, Nero of Trajanus — geïnterpreteerd in het licht van hun eigen project. Moderne biografieën (A. Goldsworthy, R. Billows, Tom Holland's Rubicon) leggen verschillende accenten: militair veldheer, sociaal hervormer, kille machtspoliticus of combinatie van alle drie.
Verwant
Zie voor de staatsvorm die uit Caesars erfenis voortkwam Romeinse Rijk, voor het bredere tijdperk Oudheid, en voor een vergelijkbaar veroveringsproject een paar eeuwen eerder Alexander de Grote.