Wat is de renaissance?
De term renaissance (Frans voor hergeboorte) werd in de negentiende eeuw algemeen aanvaard na het invloedrijke boek van Jacob Burckhardt, Die Cultur der Renaissance in Italien (1860). Hij beschreef de periode als een culturele revolutie die het moderne individu en de wereldse blik geboren liet worden. Historici nuanceren dat beeld al lang. De middeleeuwen waren niet een statisch tijdvak, en het klassieke erfgoed was ook daar nooit helemaal vergeten. Toch verwijst de term zinvol naar een herkenbare verschuiving in Italiaanse steden vanaf de veertiende eeuw: een systematische herontdekking, studie en imitatie van antieke Latijnse en — vanaf de vijftiende eeuw — Griekse auteurs, en daarmee verbonden nieuwe vormen van onderwijs, literatuur en kunst.
Humanisme
Het hart van de beweging was het humanisme: een onderwijsprogramma rond grammatica, retorica, poëzie, geschiedenis en moraalfilosofie, gebaseerd op directe studie van klassieke teksten. Petrarca (1304–1374) zocht naar Ciceroniaanse brieven in middeleeuwse kloosterbibliotheken; Lorenzo Valla ontmaskerde in 1440 de Donatie van Constantijn als middeleeuwse vervalsing via filologische analyse; Desiderius Erasmus (ca. 1466–1536) publiceerde in 1516 zijn kritische Griekse editie van het Nieuwe Testament, met parallelle Latijnse vertaling die eeuwenlang als referentie gold. Het motto ad fontes — terug naar de bronnen — wees zowel op teksten als op methode. Door de boekdrukkunst (Gutenberg, ca. 1450) en de verbinding met het beurswezen van Italiaanse handelssteden kon dit programma zich uitzonderlijk snel verspreiden.
Italiaanse kunst
De kunstgeschiedenis verdeelt de Italiaanse renaissance gewoonlijk in drie fasen. Vroege renaissance (ca. 1400–1490): Brunelleschi bouwt de koepel van de Dom in Florence (1436) en ontdekt het lineair perspectief; Donatello herontdekt vrijstaande klassieke sculptuur; Masaccio schildert in de Brancacci-kapel. Hoge renaissance (ca. 1490–1527): Leonardo da Vinci, Michelangelo Buonarroti en Rafaël Sanzio werken gelijktijdig in Florence en vooral in Rome aan werken die eeuwenlang canoniek bleven (Sixtijnse kapel 1508–1512, School van Athene, David, Mona Lisa). Maniërisme (ca. 1520–1580): een bewust vertrekken van klassieke regels richting geraffineerde spanning (Pontormo, Parmigianino, El Greco), vaak geassocieerd met de crisis van de Plundering van Rome (1527).
Architecturaal keerde men terug naar klassieke proporties, zuilen en pedimenten — Alberti, Palladio, Bramante — waardoor de renaissance-architectuur tot in de negentiende eeuw een referentie bleef (Palladianisme in Engeland en de Verenigde Staten).
Noordelijke renaissance
Ten noorden van de Alpen kreeg de renaissance een eigen karakter. De Bourgondische Nederlanden kenden een bloeiende schilderkunst die deels al voor het humanisme was begonnen: Jan van Eyck (Het Lam Gods, 1432), Rogier van der Weyden, Hans Memling en later Pieter Bruegel de Oude en Hieronymus Bosch. Dürer in Neurenberg combineerde Italiaanse theorie met een nordische grafische cultuur. In de Nederlanden ontstond een sterk humanistisch milieu rond Erasmus, Agricola, Gemma Frisius en Mercator — de laatste twee leverden baanbrekend kartografisch werk in een tijd van wereldwijde ontdekkingsreizen.
Wetenschap
Hoewel de wetenschappelijke revolutie meestal apart wordt behandeld, is de renaissance er de noodzakelijke voorwaarde van. Anatomie (Vesalius, De humani corporis fabrica, 1543), astronomie (Copernicus, datzelfde jaar), wiskunde (Cardano) en kartografie (Mercator, Ortelius) bloeiden in een cultuur die observatie en klassieke referentie combineerde. De zorgvuldige bestudering van antieke wiskundigen als Archimedes en Apollonius, via Byzantijnse manuscripten die na de val van Constantinopel (1453) naar het westen kwamen, maakte nieuwe doorbraken mogelijk.
Stadspolitiek en mecenaat
De financiële grondslag van de renaissance lag bij handelssteden als Florence en Venetië en bij vorstenhoven (de Medici, later de Farnese, Este, Gonzaga, Sforza), pauselijke Rome, en internationaal bij het hof van Frans I van Frankrijk en Karel V van Spanje/Heilig Rooms Rijk. Kerk en wereldlijke macht schermden met kunst — Sixtijnse kapel, persoonlijke portretten — wat voor ons betekende dat kunstproductie sterk was gebonden aan opdrachten en hoge patronaatsnetwerken.
Nalatenschap
Dat onze notie van "het individu", "de kunstenaar", "het meesterwerk" en "de canon" nog diep doortrokken zijn van renaissance-voorstellingen ligt voor de hand. Ook de moderne idee van algemeen onderwijs dat op bronteksten stoelt, voert terug op het humanisme. Tegelijk is de klassieke renaissance verhaal niet onschuldig: het werd gebruikt om andere culturen in Eurasia en de Amerika's als onontwikkeld af te doen, en het verhaal zelf kan bij nadere bestudering minder revolutionair blijken dan het negentiende-eeuwse beeld suggereerde. Ook bleek de renaissance tegelijk de periode van de trans-Atlantische slavenhandel, Italiaanse oorlogen en heksenvervolgingen — beschaving en geweld gingen hand in hand.
Verwant
Zie voor de religieuze scheuring die er onlosmakelijk mee verbonden is Reformatie, voor het bredere tijdvak Vroegmoderne tijd, en voor de economische infrastructuur achter de noordelijke opbloei Gouden Eeuw.